CFP

CFP: positieve discriminatie

Ethiek en Maatschappij lanceert een call for papers voor een themanummer over het gelijkheidsbeginsel en positieve discriminatie.

Redactie special issue: Kristof Van Assche (Kristof.VanAssche@uantwerpen.be) en Mattias Decoster (Mattias.Decoster@uantwerpen.be)

Het gelijkheidsbeginsel is een juridisch basisprincipe in onze samenleving. Het beginsel van non-discriminatie vindt men bijvoorbeeld terug in de Grondwet, de Genderwet, de Antiracismewet en de Antidiscriminatiewet, maar ook in het recht van de Europese Unie en verschillende internationale mensenrechtenverdragen. Deze wettelijke bepalingen verbieden de Belgische staat om haar burgers ongelijk te behandelen op basis van bepaalde criteria: iedereen is dus gelijk voor de wet. Soms hebben deze wettelijke bepalingen ook een horizontaal effect, wat betekent dat ze niet enkel moeten worden gerespecteerd door de staat maar ook door de burgers onderling. Zo mag een werkgever gedurende het sollicitatieproces bijvoorbeeld geen onderscheid maken tussen de verschillende kandidaten op basis van geslacht of huidskleur.

Het gelijkheidsbeginsel is gebaseerd op het idee dat de samenleving uit gelijkwaardige individuen bestaat die als gelijken moeten worden behandeld. Een slachtoffer van discriminatie kan op het gelijkheidsbeginsel beroep doen om de dader aan te klagen. Critical race theoreticus Freeman (1978) veroordeelt deze visie op discriminatie, omdat de oorzaak ervan wordt gezocht bij een individu dat zich laat leiden door vooroordelen en stereotypes. Maar voor hen die tot een onderdrukte groep behoren heeft discriminatie meer te maken met de levensomstandigheden die gepaard gaan met structurele machtsdynamieken. Volgens radicaal feministe MacKinnon (1989) houdt het gelijkheidsbeginsel net onrechtvaardigheid in stand omdat het geen rekening houdt met deze machtsdynamieken. Om gelijkheid tussen onderdrukte en geprivilegieerde individuen tot stand te brengen is er volgens haar geen gelijke behandeling nodig maar net een ongelijke, “gunstigere” behandeling van de onderdrukten om de machtsdynamieken recht te trekken. Het recht hoort dus te vertrekken vanuit het feit dat sociaal-economisch structurele ongelijkheden bestaan en moet op basis daarvan individuen een eerlijke in plaats van een gelijke behandeling geven.

Kritieken op het gelijkheidsbeginsel hebben snel geleid tot het concept “positieve discriminatie”, soms ook “positieve actie” en in het Engels “affirmative action” genoemd. In België vormt een ongelijke behandeling op basis van een beschermd identiteitskenmerk geen discriminatie wanneer het een maatregel van positieve actie inhoudt en dus als doel heeft om structurele ongelijkheid tussen individuen weg te werken. Net zoals het Europees Hof van Justitie koppelt de Belgische wetgever strikte voorwaarden aan dergelijke maatregelen. Alhoewel velen enig begrip kunnen opbrengen voor een “women only” fitness en genderquota in de politiek, doet positieve discriminatie voor vrouwen in bepaalde andere domeinen en positieve discriminatie voor andere onderdrukte groepen veel stof opwaaien. Dit is begrijpelijk, want het brengt het heersende idee van gelijkheid en gelijke behandeling in het gedrang. Zelfs wanneer men erkent dat bepaalde structurele machtsdynamieken individuele ongelijkheid in stand houden en dat positieve discriminatie de verhoopte gelijkheid wel kan realiseren, verschuilt men zich vaak achter bezorgdheden omtrent de praktische aspecten en de operationalisering van positieve discriminatie om dergelijke maatregelen in vraag te stellen.

Zouden wij bijvoorbeeld aanvaarden dat een queer eigenaar van een appartementencomplex enkel wil verhuren aan andere queer of transpersonen omdat die zelf ter plekke woont en in een veilige omgeving wil verblijven? Indien positieve discriminatie op basis van huidskleur ingevoerd zou worden, wie beslist dan of een welbepaald individu aanspraak kan maken op de “gunstigere” behandeling en op basis van welke criteria? Is het wenselijk dat de overheid verkiest om mensen van verschillende (geloofs)overtuigingen aan te nemen om zo discriminatie weg te werken en te voorkomen dat een christelijke visie opgelegd wordt via de overheidsbeslissingen genomen door overheidsambtenaren waarvan de meerderheid christelijk is opgevoed? Willen wij een wet die werkgevers verplicht om vrouwelijke en niet-binaire personen aan te nemen indien zij en een mannelijke sollicitant dezelfde kwalificaties hebben? Moeten bedrijven verplicht worden om een bepaald aantal personen met een beperking in dienst te hebben?

Op basis van het voorgaande, zijn wij voor dit special issue van Ethiek en Maatschappij op zoek naar papers over positieve discriminatie en kritieken op het gelijkheidsbeginsel, die bij voorkeur:

  • Het gelijkheidsbeginsel vanuit een theoretische ofwel praktische invalshoek in vraag stellen.
  • De wenselijkheid onderzoeken van positieve discriminatie op zich, dan wel van positieve discriminatie op basis van bepaalde criteria (zoals gender, huidskleur, etniciteit, nationale afkomst, nationaliteit, ras, seksuele geaardheid, genderidentiteit, lichamelijke of mentale gezondheidstoestand en/of beperking, leeftijd, godsdienst of godsdienstige overtuiging, etc.).
  • De praktische operationalisering van positieve discriminatie onder de loep nemen.
  • Voorstellen voor positieve discriminatie in een Belgische context uitwerken.
  • Standpunten inzake gelijkheid en/of positieve discriminatie, zoals voorgesteld binnen feministische theorie, postkoloniale theorie, queer theorie, Critical Race Studies, Crip Theory/Critical Disability Theory en andere kritische invalshoeken, verder uitwerken ofwel toepassen op de Belgische samenleving.
  • Het begrijp gelijkheid vanuit een historisch of filosofisch perspectief analyseren om positieve discriminatie beter te kunnen situeren.

Gelieve een abstract van maximaal 400 woorden samen met een korte bio (naam, institutionele affiliatie) in Word-formaat door te sturen naar Kristof.VanAssche@uantwerpen.be en Mattias.Decoster@uantwerpen.be voor 15 januari 2021. Na goedkeuring van het abstract wordt een paper van maximaal 10.000 woorden verwacht, inclusief voetnoten en bibliografie, voor 1 mei 2021.

Referenties

Freeman, A.D., “Legitimizing Racial Discrimination through Antidiscrimination law: A Critcal Review of Supreme Court Doctrine”, Minnesota Law Review 1978, 1049-1119.

MacKinnon, C.A., “Sex Equality: On Difference and Dominance” in MacKinnon, C.A. (ed.), Toward a Feminist Theory of the State, Cambridge, Harvard University Press, 1989, 215-234.